De Franse Marinefuseliers

Admiraal Ronarc’h van de Franse Marine beschikt begin augustus 1914 over acht dagen tijd om twee regimenten, bestaande uit zes bataljons en een compagnie mitrailleurs, op te richten en te organiseren. Samen vormen ze de ”Brigade Marinefuseliers” met een totaal van 6.585 man. Het idee om marinefuseliers in te zetten samen met de troepen te land was zeer laat gekomen. Aangezien per definitie een marine bestemd is om te varen en niet om te marcheren, moest dus alles bedacht en voorbereid worden: organisatie, samenstelling van de kaders, opleiding van de manschappen, oprichten van de noodzakelijke diensten, enz …

De eerste opdracht bestaat erin naar de hoofdstad Parijs te trekken en er klaar te staan om aan de slag van de Marne deel te nemen. Na de overwinning aan de Marne wordt de brigade terug geroepen, maar bijna onmiddellijk, op 4 oktober, krijgt de admiraal orders om met zijn troepen naar Duinkerke af te reizen waar een nieuw legerkorps zal gevormd worden. Op 7 oktober  ’s morgens vertrekken de manschappen vanuit Saint-Denis en Villetaneuse in treinkonvooien naar Boulogne-sur-Mer en van daaruit verder naar Duinkerke.

afbeeldingIn Duinkerke aangekomen, wacht hen een verrassing, want de orders zijn veranderd. Zij moeten onmiddellijk doorreizen naar België en meer bepaald naar Antwerpen, dat op het punt staat te vallen. In de namiddag van 8 oktober  komen zij in Gent aan waar Admiraal Ronarc’h de Franse Generaal Paul Pau ontmoet, verbindingsofficier van de geallieerde legers. Opnieuw worden de plannen veranderd, daar de spoorverbindingen met Antwerpen onderbroken zijn en de zes Belgische divisies die Antwerpen verdedigden zich terugplooien naar Gent en Brugge, teneinde het contact met de geallieerde troepen nabij Rijsel niet te verliezen. De nieuwe opdracht van de marinefuseliers  bestaat erin de flank van het terugtrekkende Belgische leger te verdedigen.

De Franse Marinefuseliers worden dus naar Melle nabij Gent gestuurd, waar de Belgische troepen van de 4de Gemengde Brigade loopgraven aan de Schelde hebben klaargemaakt. begraafplaats MelleDaar komt het op 9 oktober  tot een eerste treffen met de vijand en sneuvelen de eerste Franse marinefuseliers. Ook de nacht daarop gaan de gevechten door, tot ten slotte de marinefuseliers op 11 oktober  moeten wijken voor de Duitse overmacht (6.000 tegen 45.000 Duitsers). Op bevel van de Britse generaal Thompson Capper trekken ze zich onder dekking van de 7th British Division, ‘s nachts terug. Via Drongen, Merendree, Hansbeke en Bellem komen ze in de vroege morgen aan in Aalter. Na een korte rust marcheren ze in versnelde pas verder naar Tielt, waar ze op 12 oktober om 5 uur in de namiddag, geheel uitgeput, aankomen. Sinds hun vertrek uit Melle krijgen ze eindelijk de tijd om wat uit te rusten na het inkwartieren in burgerhuizen en in een school in aanbouw.

De volgende morgen (dinsdag 13 oktober) vertrekken ze om zeven uur richting Torhout en komen er om drie uur in de namiddag aan. Laat op de avond krijgt Admiraal Ronarc’h er de opdracht een verdedigingslijn uit te bouwen, gericht naar het oosten. Deze verdedigingslijn strekt zich over 6 km uit vanaf de zuidelijke rand van het bos  van Wijnendale in het noorden tot het station van Kortemark  in het zuiden.

begraafplaats VeurneIn het noorden hebben de marinefuseliers contact met het Belgische leger, dat zich in alle haast terugtrekt naar de IJzer, maar in het zuiden is elk contact met de Engelsen verloren, want deze laatsten zijn vertrokken naar Roeselare en Ieper. De Belgische Luitenant-generaal Augustin Michel verwacht een Duitse aanval vroeg in de morgen van 15 oktober en stuurt twee bataljons (2de Jagers te Voet en 11de Linieregiment) die op woensdag 14 oktober ‘s morgen de verdedigingslijn komen versterken: een ‘bataljon noord’ in de richting van Wijnendaele en een ‘bataljon zuid’ in de richting van Kortemark. Tegen middernacht van woensdag 14 oktober komt echter het tegenbevel dat de brigade zijn stellingen te Torhout dringend moet verlaten om naar Diksmuide te trekken, en er de stad gedurende vier dagen te verdedigen. Zodoende vertrekken de marinefuseliers in de nacht van 14 op 15 oktober en trekken zich al vechtend en onder een gutsende regen terug via Werken, Zarren en Esen, om uiteindelijk in Diksmuide aan te komen. De marinefuseliers nemen er onmiddellijk defensieve stellingen in rondom de stad, die zij gedurende 4 weken tot 16 november 1914 koste wat kost zullen blijven verdedigen tegen een vijand die zes keer superieur is en over zware artillerie beschikt.

Welgeteld 6.000 Franse marine fuseliers en 5.000 Belgen, waaronder het 12de Linieregiment, het 2de Jagers te Voet en het  2de Artillerie regiment onder bevel van de Belgische Kolonel Jean Meiser, stonden tegenover drie Duitse legerkorpsen, samen 50.000 man.

De dag na de val van Diksmuide was een gevangen genomen Pruisische majoor verrast toen hij vernam dat de Fransen slechts met 6.000 waren, terwijl de Duitsers dachten dat ze minstens 40.000 man hadden. De verliezen waren echter zeer groot. De Franse marinefuseliers verloren voor Diksmuide 80% van hun officieren en de helft van hun effectieven. Eén bataljon marine fuseliers zal tot einde van 1917 in België blijven en o.a. deelnemen aan de gevechten rond Nieuwpoort. Vanaf 1918 worden de Franse Marinefuseliers ingezet aan de Somme.

Op de begraafplaats te Melle liggen 9 marinefuseliers begraven en op de Franse militaire begraafplaats van Koksijde rusten 132 gesneuvelden van de brigade marinefuseliers alsook soldaten van de 42ième Division d’Infanterie van Generaal Grossetti. Ook op de begraafplaats te Veurne ligt een belangrijk aantal marinefuseliers begraven, waar een ossuarium daarenboven ook de lichamen van 78 gesneuvelde marinefuseliers en andere Franse militairen bevat.

Advertenties